Getalbegrip hele getallen


De leerlingen werken de eerste periode in het getallengebied tot 20 en 40.
De tweede helft van het jaar ook tot 100.
De leerlingen leren het verder- en terugtellen, tellen met sprongen en het splitsen.

Schrijven van de cijfers en de getallen;
Getalbeelden oa van het rekenrek;
Verder- en terugtellen tot en met 40;
De telrij tot en met 100. Tellen met sprongen van 10 en 1;
Splitsingen tot en met 10;
Grote hoeveelheden tellen;
Structuur van de getallen tot en met 20 en 100. Eén tiental en wisselende eenheden.

Optellen en aftrekken


In groep 3 worden de eerste erbij en erafsituaties aangeboden via de bussommen en de pijlsommen. Aan het eind van groep 3 rekenen de leerlingen tot en met 20 en automatiseren ze de splitsingen en de sommen tot en met 10.

Het vergelijken van aantallen: meer, minder of evenveel;
Erbij en erafsituaties, in eerste instantie via bussommen en pijlsommen;
Optellen, aftrekken en splitsen tot en met 10;
Eerste aanzet tot automatisering van sommen t/m 10;
Optellen en aftrekken tussen 10 en 20;
Eerste aanzet voor het optellen en aftrekken over het eerste tiental.
Het vergelijken van aantallen: meer, minder of evenveel;
Erbij en erafsituaties, in eerste instantie via bussommen en pijlsommen;
Optellen, aftrekken en splitsen tot en met 10;
Eerste aanzet tot automatisering van sommen t/m 10;
Optellen en aftrekken tussen 10 en 20;
Eerste aanzet voor het optellen en aftrekken over het eerste tiental.

Geld


In groep 3 leren de leerlingen een aantal munten en biljetten kennen.
Ze leggen bedragen neer (betalen gepast) en lezen geldbedragen af.

Alle munten en de biljetten van 5 en 10 euro
Geldbedragen leggen en aflezen;
Gepast betalen

Tijd


In groep 3 leren de leerlingen de dagen van de week, het werken met de maandkalender en de tijdbalk.
Daarnaast lezen de leerlingen de hele uren af op de analoge klok.
Dagen van de week
Serie gebeurtenissen in een logische volgorde plaatsen
Klokkijken analoog: hele uren
Tijdbalk
Maandkalender

Meten


In groep 3 leren de leerlingen meetbegrippen als lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud en gewicht. Het gaat hierbij zowel om het actief meten met natuurlijke maten als het gebruik van de juiste begrippen.
De meetbegrippen groot/klein, voor/ achter, hoog/laag, enzovoort
Lengte: passen, vergelijken, meten met natuurlijke maten,
Verkenning van de begrippen lengte, omtrek, oppervlakte, inhouden gewicht

Meetkunde


In groep 3 wordt een variatie aan doelen aangeboden. De leerlingen werken onder andere met blokkenbouwsels. Ook leren ze plattegronden te interpreteren en routes op een plattegrond te lopen.
De begrippen voor/achter, links/rechts, boven/beneden
Lezen en interpreteren van een plattegrond
Van vogelvluchtperspectief naar plattegrond
Routes zoeken op een plattegrond
Blokkenbouwsels
Standpunt bepalen
deze website is gerealiseerd door schoolwapps.nl