Wat leren de kinderen van groep 4 deze periode?


Rekenen:

 

Blok A3

week 1:

·         Je telt met sprongen van 10 op de getallenlijn.

·         Je leert de tafel van 5.

·         Je leert het €- teken. Je rekent met 20, 50 en 100 euro

·        Je maakt plussommen over de 10.

week 2:

·         Je telt met sprongen van 10 op de getallenlijn.

·         Je rekent plussommen over het tiental uit. Je gebruikt de getallenlijn.

·         Je ontdekt wat spiegelen is.

·        Je maakt minsommen over de 10.

week 3:

·         Je telt terug met sprongen van 10 op de getallenlijn.

·         Je leert slimme manieren om de tafels van 2, 5 en 10 uit te rekenen.

·         Je oefent de maanden van het jaar.

·         Je splitst getallen tussen 10 en 20

12= 10 + 2

12=   9 +…

week 4:

·         Je telt terug met sprongen van 10 op de getallenlijn.

·         Je rekent minsommen over het tiental uit. Je gebruikt de getallenlijn.

·         Je oefent met blokkenbouwsels en plattegronden.

·         Je leert een minsom uitrekenen met een plussom.

 5 + 7=

12 – 5=

 

Taal:

Blok 3:

·         Je leert tien nieuwe woorden. Je leert ze uitleggen met een zin.

·         Je gaat over iets vertellen. Zoveel als je weet.

·         Je leert hoe je kunt opschrijven wat je allemaal weet.

·         Je leert tien nieuwe woorden. Je leert woorden uitleggen met een zin of een plaatje.

·         Je leert wat doe-woorden zijn.

·         Je leert hoe je een tekst maakt van een woordweb.

·         Je leert praten met verschillende mensen.

·         Je gaat doe-woorden zoeken. Je zoekt ook naar woorden die erbij horen. Je leert dat een doe-woord er soms anders uitziet.

 

Doelwoorden van de woordenschatlessen:

les 1

les 4

het fototoestel

het afscheid

haast hebben

begroeten

inpakken

halverwege

Nederlands     

huren

onderweg

instappen

reizen

onderdoor

de tocht

overheen

vaarwel

de post

vertrekken         

uitstappen

de vreemdeling

verdwalen

 

Spelling:

Blok 3:

K7: woorden op ~en, ~el, ~er en ~e

W5: woorden met f~

K8: woorden met ge~, be~ en ver~

W6: woorden met v~

R1: verkleinwoorden op ~je en ~tje

K7

W5

K8

W6

R1

de spiegel

het fruit   

gedaan         

vier

het huisje         

de dieren

de film

het gevoel 

vaak    

het fietsje

buiten

het feest

ik betaal

de vlag

het zusje

langer       

de fiets

het bezoek

veel

het treintje

lieve

de fles

het verhaal

vroeg

het wieltje

het boekje

de fluit

het verdriet

de verf

het broertje

 

Tekst toevoegen ...
deze website is gerealiseerd door schoolwapps.nl