Wat leren de kinderen van groep 5 deze periode?

Rekenen:

Blok A1

Week 1:

·         Je verkent getallen tot 1000. Je plaatst de getallen in de juiste groep.

·         Je rekent handig tafels uit.

·         Je meet centimeters met je liniaal en meters met een draad.

·         Je rekent handig plussommen tot 100 uit.

 

Week 2:

  • Je verkent de telrij tot 1000.
  • Je leert de tafel van 7.
  • Je gaat klokkijken. Je leert wat een minuut is.
  • Je rekent handig minsommen tot 100 uit.

 

Week 3:

  • Je zet getallen tot 1000 op de getallenlijn.
  • Je leert dat keersommen helpen bij opdelen.
  • Je leert wat symmetrie is. Je gebruikt daar een spiegel bij.
  • Je leert hoe plussommen en minsommen op elkaar lijken.

7+6= 13         13-6=7

 

Week 4

  • Je betaalt met briefjes van 100 en 10 en munten van 1 euro.
  • Je leert dat keersommen helpen bij verdelen.
  • Je gaat meten. Je ontdekt het verschil tussen afbeeldingen in het echt en in het boek.
  • Je leert minsommen op verschillende manieren uitrekenen.

Taal:

Blok 1

  • Je leert hoe je woorden kunt leren.
  • Je leert hoe je iets kunt vertellen.
  • Je leert wat woorden en zinnen zijn.
  • Je leert een tekst schrijven bij een plaatje.
  • Je laat zien hoe je woorden kunt onthouden.
  • Je leert waar je op kunt letten bij het luisteren. Je leert om vragen te stellen.
  • Je leert wat doe- woorden en naamwoorden zijn.
  • Je leert een plaatje maken bij een tekst.
  • Je leert een woord uitleggen met een plaatje en een zin.
  • Je leert een gesprek voeren.
  • Je leert dat je op verschillende manieren kunt praten.
  • Je leert dat een plaatje soms bij een tekst hoort en andersom.

 

Doelwoorden van de woordenschatlessen:

les1

les 5

les 9

achterover

eetbaar

de aanloop

het dambord

hardlopen

giechelen

dammen

hoorbaar

het kunstje

het evenwicht

de koprol

popelen

de salto

linksaf

schuldig

de  spelregel                    

de omweg           

het teken (sein) geven   

de sprong

slenteren

turen

strompelen

stoeien

uitgeput

voorover

voelbaar

uitvoeren

zichtbaar

waggelen

de voorsprong                           

 

Spelling:

Blok 1

K7: Klankwoorden op –en, -er, el en -e

W1: Weetwoorden met ei

R5: Klankgroepen op –a, -e, -o, -u

W2: Weetwoorden met ij

R8: Woorden met twee klankgroepen

Woorden van de week:

K7

W1

R5

W2

R8

de sleutel             

het eiland

de vogel

de lijm

de muren

de keuken

het weiland      

de adem

de pijl

de dozen

het snoepje

het einde

de regel

de vijver

de zolder

werken

het paleis

de schuren  

de dijk

de feesten

vroeger

de keizer

mager

bij/  de bij             

de voeten       

harde

de maand mei

lenen

kijken

ruiken

 

Bij les 6 herhalen:

K11: woorden met eer, eur en oor

 

K11

de beer         

de peer

de deur

de scheur 

het oor

het spoor

 

 

Wat leren de kinderen van groep 6 deze periode?

Rekenen:

Blok A1

Week 1:

  • Getallen verkennen tot en met 10 000
  • Handig keersommen en deelsommen uitrekenen
  • Lengtematen herhalen: millimeter, centimeter, decimeter, meter en kilometer
  • Bij plussommen en minsommen oefenen met ‘ongeveer rekenen’

Week 2:

  • Geldbedragen tot en met 10 000 euro in een schema zetten
  • Handig uitrekenen van keersommen herhalen
  • Herhalen wat oppervlakte is. Kennismaken met vierkante centimeter (cm²)
  • Verhaaltjessommen uitrekenen. Daarbij verhoudingstabellen gebruiken.

Week 3:

  • Kennismaken met een handige manier om grote getallen op te tellen.
  • Leren dat je keersommen kunt gebruiken bij deelsommen met grote getallen.
  • Leren dat er verschillende kalenders zijn. Een kalender leren gebruiken.
  • ‘Ongeveer rekenen’ met geldbedragen oefenen

Week 4:

  • Handig optellen van grote getallen oefenen.
  • Leren schattend rekenen. Je oefent dit met allerlei sommen.
  • Ervaring opdoen met bouwsels en plattegronden met hoogtegetallen.
  • Zelf sommen bij een verhaaltje bedenken.

 

Taal:

Blok 1

  • Leren hoe je woorden kunt leren en onthouden met een plaatje.
  • Leren hoe je kunt luisteren.
  • Leren wat werkwoorden zijn. Leren wat zelfstandige naamwoorden zijn.
  • Leren wat omgevingsteksten zijn.
  • Leren dat je woorden kunt leren met een zin of met een ander woord.
  • Leren dat je op verschillende manieren kunt uitspreken
  • Leren wat een persoonsvorm is.
  • Een moeilijk woord leren uitleggen. Verbindingswoorden leren gebruiken.
  • Leren dat je woorden op verschillende manieren kunt onthouden.
  • Leren hoe je een gesprek kunt voeren.
  • Leren waar je punten, komma’s en andere leestekens moet zetten. Je leert waar je hoofdletters moet gebruiken.
  • Leren zelf bepalen wat voor tekst je schrijft.

 

 

 

Doelwoorden van de woordenschatlessen:

 

les1

les 5

les 9

het aanrecht

constant

bekend

bliksemsnel

heimelijk

bloedheet

de gasaansteker

openbaar

eindeloos

het handschrift

spraakzaam

gloednieuw

de handtekening

sprakeloos

halsoverkop

horizontaal

steeds

in een mum van tijd

piepjong

de verklikker

in een wip

het toetsenbord

verraden

reageren

de vergiet

wijzigen

voortdurend

verticaal

zelden

wildvreemd

 

 

Spelling:

Blok 1

R8: woorden met twee klankgroepen

W1: woorden met ei

K21: woorden met kleefletters

W2: woorden met ij

R12: klankgroepen met een stomme e

 

Woorden van de week:

R8

W1

K21

W2

R12

praten

ik brei

twaalf

de partij

genoeg

weten

de aardbei

de slurf

rijden

betalen

trappen

de eieren

de schelpen

grijs

de kinderen

leggen

de arbeider

de golven

ijzer

wandelen

de kelder

het seizoen

de bergen

gelijk

rekenen

de meester

veilig

durven

ijverig

gisteren

 

Bij les 6 herhalen:

K8: vaste stukjes: ge-, be- en ver-

 

K8

gelukkig

gebruiken

betalen

bezoeken

vertellen

het verdriet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

deze website is gerealiseerd door schoolwapps.nl